Darwin herlezen: een reflectie

Bijna iedereen heeft wel al eens gelezen of les gekregen over Charles Darwin, maar voor diegenen waarbij het ver zit: even een herhaling van het middelbaar.

Darwin was een bioloog aan de universiteit van Cambridge in de negentiende eeuw. In het hoogtij van het Britse imperium kon hij mee op een jarenlange wereldreis op de HMS Beagle. Op die reis kon hij talloze fossielen, illustraties en levende exemplaren verzamelen om te bestuderen. Na een studie van de Galapagos eilanden -een eilandengroep ongeveer duizend kilometer van de kust van Ecuador- ervaarde hij zijn eigen Eureka-moment. De variatie aan unieke kenmerken van de reuzenschildpadden op de geïsoleerde eilanden vormden de aanwijzing voor zijn bekende evolutietheorie die hij achteraf zou ontwikkelen. In kort: organismen die het best aangepast zijn aan hun omgeving hebben grotere kansen op overleving en dus voortplanting, met de doorgave van hun gunstige eigenschappen en dus evolutie als gevolg. Deze theorie wordt vaak samengevat tot de korte slogan: “the survival of the fittest”, al kom ik hier nog op terug.

In 1859 publiceert Darwin zijn magnum opus: The Origin of Species. Het zendt schokgolven door de wetenschappelijke en religieuze gemeenschappen. Plots presenteert er zich een wetenschappelijk werk dat millennia lang heersende religieuze dogma’s achterhaalt. Ondanks een groep koppige ontkenners, geniet de evolutietheorie vandaag van wetenschappelijk consensus. De gehele biologische wetenschappen baseren zich dan ook uiteraard op Darwin. Het volledige effect van Darwins werk is noch te vatten in een kort artikel noch aan mij om te bespreken. Echter wens ik wel onze aandacht te richten naar een aspect dat minder vaak besproken wordt.

Terwijl Darwins impact op de exacte wetenschappen geniet van een canonstatuut, is dit veel minder het geval voor de opmerkelijke consequenties van zijn werk op de sociale en politieke theorie in de negentiende en twintigste eeuw. Het kan dan ook verbazend zijn voor sommigen dat er een relatief rechte lijn te trekken valt tussen enerzijds de evolutietheorie van Darwin en anderzijds Adolf Hitler en fascistische ideologie. Maar hoe dan?

Het verhaal gaat voornamelijk terug naar Herbert Spencer. Hij leidde in de vroege 20ste eeuw uit Darwins idee van natuurlijke selectie een extreem liberaal individualisme af. Zo legde hij de theoretische fundering van het sociaal Darwinisme: het leven van de mens is een constante strijd waar enkel de sterksten verdienen te winnen. Het was dan ook Spencer die de slogan “survival of the fittest” bedacht en niet Darwin. Het idee dat het menselijk bestaan berust op biologische competitie en strijd legde dan weer een vormende basis voor het fascisme. Hitler noemde het een ‘onveranderlijke wet van het gehele leven’ en gebruikte het idee om oorlog als een inherent goede zaak te beschrijven. Door oorlog zouden enkel de sterksten overblijven en dus ‘het ras’ puur en sterk houden. Mussolini voegde graag toe dat oorlog voor mannen is wat moederschap is voor vrouwen. Met diezelfde basis ontwikkelde zich het idee van eugenics. Een vorm van selectieve voortplanting dat dient om ‘het ras’ zo sterk mogelijk te houden. Joden, transgenders, homoseksuelen en gehandicapten werden met die beredenering systematisch uitgeroeid in de holocaust.

Het is onze plicht aan de slachtoffers van het fascisme om te voorkomen dat zulke wandaden tegen de mensheid ooit nog zouden plaatsvinden. Maar hoe gaan we om met het feit dat al deze afschuwelijke ideeën zich uiteindelijk baseerden op een wetenschappelijke theorie? Een theorie die, sterker nog, vandaag door elke serieuze wetenschapper als vanzelfsprekend wordt geacht. Hadden ze misschien gelijk, die Nazi’s?

Natuurlijk niet. De zekere fundamenten van dat gewelddadig individualisme zijn dan ook gebaseerd op een simpelweg foutieve interpretatie van Darwins originele werk. Maar hoe zit het dan wel?

Sta me toe jullie kennis te laten maken met nog een negentiende-eeuwse denker: Peter Kropotkin. Als geograaf actief in de decennia na de publicatie van The Origin of Species zag hij met zijn eigen ogen hoe de kiemen van het sociaal Darwinisme zich verspreidden doorheen Europa. Geboren als Russische aristocraat ontwikkelde Kropotkin een filosofie dat totaal inging tegen zijn aangeboren privileges. Zijn twee meest bekende boeken: The Conquest of Bread en Mutual Aid dienen vandaag als basislectuur voor Anarchistische politieke theorie.

In dat tweede boek, Mutual Aid, leverde hij zijn eigen empirische onderzoeksresultaten en zijn kritiek op de heersende interpretatie van Darwins werk. Hij problematiseerde de conclusie dat we vanuit het concept van natuurlijke selectie een individualistisch sociaal kader moesten afleiden voor de samenleving. Darwin benadrukte namelijk zelf dat competitie binnen de soort geen bepalende factor was voor overleving of evolutie. Kropotkin voegde toe dat het juist niet competitie, maar coöperatie binnen de soort was die bepaalde of een soort zou overleven in de natuur of niet. Die coöperatie die overleving en dus ook evolutie in de hand werkte noemde hij ‘mutual aid’. Een illustratief citaat uit zijn boek met dezelfde naam luidt:

“Don’t compete! – competition is always injurious to the species, and you have plenty of resources to avoid it!”

Hij ontkende echter niet dat beide coöperatie en competitie natuurlijk waren aan soorten, maar dat het nuttiger was om als samenleving te focussen op dat eerste c-woord. Hij haalde dan ook talloze empirische observaties over het gedrag van verschillende diersoorten boven om zijn punt te verduidelijken. In Mutual Aid wijdde hij zelfs tientallen pagina’s aan het gedrag van termieten en mieren – écht literatuur dat je op de rand van je stoel houdt! –. Deze zouden meesters zijn van wat hij ‘mutual aid’ noemt. Hij stelde het zelf als volgt:

“The ants and termites have renounced the Hobbesian war, and they are the better for it.”

Noties van “survival of the fittest” die suggereren dat enkel het sterkste individu zou overleven schoof hij dus aan de kant. In de plaats stelde hij dat het de soorten zijn die het best kunnen samenwerken degenen zijn die overleven, met mensen als een perfect voorbeeld. Als mensen weldegelijk de egoïstische beesten waren die Hobbes en later de sociaal Darwinisten beschreven zou de samenleving zoals we die vandaag kennen simpelweg niet kunnen bestaan. De overleving van de mens berust op alledaagse vormen van samenwerking. Er is dan ook een groeiende stapel wetenschappelijke literatuur die bevestigt dat mensen, onder bepaalde voorwaarden, redelijk empathisch en coöperatief kunnen zijn.

Tot nu toe hebben we dus geleerd dat Darwin op een individualistische manier interpreteren kan leiden tot de holocaust, en dat een collectivistische, coöperatieve interpretatie toch wel op sterke empirische benen staat. Wat is dan de les dat we hieruit kunnen leren?

Noam Chomsky – de twintigste-eeuwse intellectueel die op één of andere manier ook het eerste kwart van de éénentwintigste eeuw heeft kunnen meepikken – stelt vaak dat we vandaag als menselijke soort tegenover twee existentiële gevaren staan. Ten eerste is dat nucleaire oorlog en ten tweede klimaatopwarming. Voor de eerste keer in onze geschiedenis staan we dus voor een politiek predicament waarbij het gekozen beleid een effect heeft op de gehele menselijke soort!

Het grootste probleem dat ons in de weg staat in het oplossen van die problemen is in my humble opinion de belemmering van globale samenwerking. Nationalisme is vandaag de krachtigste ideologie ter wereld. De bouwstenen van onze internationale orde bestaan uit natiestaten die zich beschouwen als aparte gemeenschappen – en dus de facto aparte diersoorten –. Talen, verzonnen grenzen en Ideologie vertellen ons dat we allemaal onverenigbare volkeren zijn. De anarchische, competitieve wereldorde die weldegelijk heerst tussen natiestaten berust dan ook op de assumptie dat internationale competitie onontkoombaar is. Maar is het niet eigenaardig dat een diersoort zichzelf zodanig concurrerend opsplitst? Is dit niet iets dat – op de lange termijn – zou leiden tot totale uitsterving volgens de evolutietheorie?

Beide de klimaatcrisis én nucleaire oorlog zijn vraagstukken waarvan de schaal geen precedent kent. Beide zijn producten van overbodige concurrentie tussen mensen. Beide hebben potentieel om de mens totaal uit te doen sterven. Beide vereisen dus ook een coöperatieve oplossing die nog geen precedent kent.

We hebben dus de keuze tussen enerzijds blijven concurreren en de totale ondergang van de mens in de hand te werken, of anderzijds te leren samenwerken en voor toekomstige generaties een leefbare planeet achter te laten. Mijn concluderende these is dan ook: zouden we niet best – vanuit een evolutionair perspectief – eens wat beter leren samenwerken? Het is aan ons om te herontdekken wat ons tot dit punt van ontwikkeling en technologische vooruitgang heeft kunnen brengen. Dat is enkel mogelijk indien we Darwin herlezen.

Bronnen:

Heywood, A. (2021). Political ideologies: An introduction. Bloomsbury Publishing.

Kropotkin, P. A., & Huxley, T. H. (2021). Mutual aid. PM Press.

Kropotkin, P. (2024). The conquest of bread (Vol. 4). AK Press.

Leave a comment